In het
warme zonlicht van mijn werkkamer staar ik uit het raam naar de kalmerende
haven en verzin een verhaal. Van Maria, zo maar een meisje uit Den Haag.
Van top tot teen is ze verliefd op die gitarist en voor twintig
euro kocht ze een kaartje. Geen gering bedrag maar natuurlijk heeft ze dat
over voor dit concert. Samen met haar vriendin staat ze ’s ochtends
vroeg al bij de poorten en met tientallen tegelijk rennen ze op hun gympen
het Malieveld over. Normaal zouden ze giechelen, de slappe lach krijgen,
maar het doel en hun bestemming is te belangrijk nu. Met triomfantelijke
gil stuiten ze tegen het voorste dranghek, iets rechts van het midden,
daar waar de gitarist altijd staat. ‘Perfect,’ denkt Maria. Ze kijkt
met stralende ogen haar vriendin aan, dan leunt ze over het hek. Het beste
uitzicht hebben ze. Zou dat z’n gitaar zijn? Een mooiere plek kan niet,
zó dicht bij het podium. Slechts een paar stappen Niemandsland tussen
haar en haar grote liefde. Ze legt haar kin op het hek en droomt weg.
Het
allereerste hek
‘Niemandsland’
echoot het in mijn hoofd. Niemandsland? Raar woord. Ooit was heel de aarde
Niemandsland. Toen is er een man geweest, ja het zal een man geweest zijn,
die het allereerste hek neerzette. Dit stukje van de aardbol is van mij
vond hij. En niemand mag hier komen zonder mijn toestemming. Wie weet had
hij het eerst geprobeerd met een streep over de grond. Of een urinespoor,
net als de dieren.
Maar dat hielp niet. Wellicht deed hij nog een extra geurende poging na
het eten van een kilo asperges. En toen kwam dan toch dat hek. En daarmee
het einde van de wereld. ‘Dit is mijn land, niemand mag hier komen
zonder mijn toestemming,’ riep hij. En meteen daarna – dat kwam mooi uit! – sommeerde hij zijn vrouw binnen de
omheining te blijven. Zo sneed het hek van twee kanten, iets wat de
overige mannen natuurlijk deed kwijlen van ontzag en afgunst. Weldra werd
heel de aarde volgebouwd met hekken en was landjeveroveren de nieuwe
sport. Eerst nog gemoedelijk, er was immers land genoeg, daarna met
knuppels, later met legers. ‘Ik wil jouw land met jouw uitzicht, jouw
vruchtenbomen en jouw vrouw, hier heb je 20 geiten en míjn vrouw. Geen
deal? Dan sla ik je voor je knar.’
Vrijheid heeft zo zijn
grenzen
In de
verte hoor ik de meeuwen krijsen rondom het Vispaleis. Azend op een hapje
frituur zijn ze niet te beroerd elkaar een snavel in het vel te prikken.
Mijn brein maalt verder: stel dat de bewoners van mijn lichaam denken dat
ze de eigenaar zijn en hekjes gaan plaatsen. ‘Hier mag jij niet komen’
zegt de ene bacterie. ‘Ja maar dáár kan ik een hapje voedsel halen’,
roept de ander. ‘Pech! Dat is nu van mij, ook al stapelt het voedsel
zich op en heb jij niks’. Voor ik het weet zal ik geplaagd worden door
puisten, schurft, aandoeningen en ziektes. En dat geldt ook voor de aarde.
De natuurlijke flow is weg. Het is toch bizar dat ik als bewoner van deze
aardbol niet overal vrij mag rondlopen? Dat sommige gebieden verboden
zijn? Dat ik een paspoort nodig heb en toestemming van een mede-bacterie?
Vrijheid noemen we dat.
En aan de
andere kant… stel dat zo meteen mijn deurbel gaat en een gezin met vier
kinderen mijn huis binnenstapt. Hun enige bezit: twee boodschappentassen
met kleren en zes paar glinsterende ogen. ‘Wat een fijn huis! Hier
willen ze graag wonen. Aan één kamer hebben ze genoeg.’ Dan zal ik
wanhopig stotteren dat dat onmogelijk is, dat het míjn huis is, en dat ik
toch echt drie kamers nodig heb. Niet begrijpend zullen ze me aankijken.
Ik ben toch maar in mijn eentje? En het enige wat ik kan denken is: ‘hoe
krijg ik ze weg? Hoe krijg ik ze in vredesnaam mijn huis uit!?’
Vrijheid, maar wel ónze
vrijheid
Brrr, een
confronterende gedachte. Waar liggen mijn grenzen? Ik sta op, draai mijn
voordeur op slot en zet – voor het geval dat - een kilo asperges op mijn
boodschappenlijst. Dan neem ik weer plaats op mijn favoriete plek aan het
raam en bezie hoe onze voormalige bezetter tevreden een harinkje in zijn
keelgat laat glijden. Hij wel. Maar mensen die écht honger hebben sturen
we het liefst meteen het hek weer uit. Die hebben geen geld. Stel je voor
dat ze onze kazen en vis lekker gaan vinden. Daar komen problemen van.
Nee, hier heerst vrijheid, maar wel ónze vrijheid. Stevige hekken
waarborgen onze voorraden, ons kapitaal, óns vrije land. En het mooie is:
wij hoeven ons niet te verlagen tot geweld. Wij hebben het geld, dus wij
hebben de macht. Vrede noemen we dat.
Nèt zo’n mooie plek,
met nèt zo’n mooi uitzicht
Portieren
slaan dicht, ik hoor de laatste begroetingen van onze Duitse vrienden die
hier gemütlich een hapje zijn komen hengelen. Was ik niet bezig met een
verhaal over Maria op de mooiste plek van het Malieveld? Vlakbij het
podium? Ik probeer het romantische beeld weer op te pakken en ‘zoom
in’ op Maria en haar vriendin. Het concert begint bijna. De zon schijnt
lekker op hun jonge ongeduldige lichamen en ze genieten van het uitzicht.
Hun ogen verwachtingsvol gericht op het podium. Nog even…
Plotseling
schuift een grote donkere schaduw over ze heen. Een enorm gevaarte neemt
bezit van het Niemandsland, over de hele breedte van het veld. Een muur.
Meer dan vier meter hoog. Nee geen muur, het is een tribune. Een kolossale
tribune op wielen, vol mensen, schuift tussen hen en het podium. Mensen die nèt
zo’n mooie plek willen als zij, met nèt zo’n mooi uitzicht, en daar
maar liefst honderd euro voor betaalden. Maria en haar vriendin kijken
tegen de blinde muur aan, ze rillen. Er is geen zon meer, geen licht, geen
uitzicht. Om hen heen beginnen mensen te vloeken, te tieren, te schoppen
en te slaan. Sommigen proberen tevergeefs de muur neer te halen. Huilend
en scheldend lopen ze weg. Maria en haar vriendin kijken elkaar alleen
maar verbijsterd aan.
Landjepik in Den Haag, de
stad van recht en vrede
Bizar? Ik
kijk uit mijn raam, vanuit mijn werkkamer. Verliefd op het water, de
bootjes, de stille bedrijvigheid van de haven. Eén voor één rijden de
witzwarte nummerplaten weg en keert de rust terug. De zon glinstert in het
water, een prachtige oranje gloed nu. Meeuwen zweven om de slapende boten.
Het mooiste moment van de dag breekt aan en ik heb het allermooiste
uitzicht. Inspirerend mooi. Slechts enkele meters Niemandsland tussen mij
en mijn grote liefde, de haven…
Maar
Niemandsland bestaat niet. Morgen verrijst hier een woontoren van dertig
meter, met mensen die nèt zo’n mooie plek willen als ik, met nèt
zo’n mooi uitzicht, en daar maar liefst vijf keer zo veel voor kunnen
betalen. Ook hier geldt het recht van de rijkste. Mij rest uitzicht op een
blinde muur. En kou, want ook zonneschijn en licht worden mij ontnomen.
‘Tsja, jouw huis is nu dus onverkoopbaar geworden,’ zegt de schrandere
projectontwikkelaar. ‘Verkoop het dus maar aan ons. Jouw stukje grond
willen we ook wel hebben.’
Zo werkt
landjepik in vredestijd. Dat is vrijheid in Den Haag, de stad van recht en
vrede. ‘Alleen als je geld hebt, dan is de vrijheid niet duur,’ zong
Jekkers. Maar al nemen ze mij alles af, mijn vrijheid is niet te koop. Ik
zal altijd verhalen blijven verzinnen...
Van Maria
en haar vriendin bijvoorbeeld. Ze staren elkaar nog steeds vol
verbijstering aan. Hoe zullen ze reageren? Worden ze boos, agressief,
verdrietig, of voelen ze zich machteloos? Dan begint de muziek te spelen.
Maria voelt een rilling door haar lichaam gaan en concentreert zich op hém.
De blinde muur verdwijnt spontaan als de gitarist zijn snaren beroert. Ze
ziet hem niet, maar voelt des te meer hoe zijn vingers over de snaren
glijden, over haar lichaam. Iedere noot een sensuele trilling. In de
schaduw van de muur beginnen Maria en haar vriendin te dansen. Ze dansen,
ze zingen, ze schreeuwen en voelen elke trilling van het leven.
Vrijheid
is een kwestie van hekjes opruimen, te beginnen in jezelf.
Geplaatst
in de bundel "De Vrede van Den Haag" (5 mei 2008 ©
Happy Turtle)
** Harrie
Jekkers / Klein Orkest: Over de Muur
=>
ga terug
naar Columns en Verhalen
