Als
de sporen van de straat
Een
eerste zweem van licht kleurt de lucht. Nog slaperig kijk ik door mijn
oogharen heen en zie mijn blote benen vooruitgestoken op de grond, een
harde grond van steen en stof. Mijn rug lijkt verstard, ik probeer niet te
bewegen, wetende dat ik daarmee mijn verdoofde lijf zal wekken en de pijn
van mijn stramme wervels. Langzaam trek ik de groezelige deken over mijn
benen recht en duik weg in mijn omslagdoek. De nacht is koud. Ik huiver en
kijk nu wat beter om me heen. Het is nog rustig op straat. In het donker
zie ik hier en daar de vuurtjes branden van de mensen die bij dit tijdstip
waken. Verderop is de theeverkoper zijn grote ketel aan het opwarmen. Hij
roert en zijn dochtertje stapelt de aardewerken bakjes op. Er schuifelen
mensen voorbij. Het flauwe oranje licht laat silhouetten zien van een
straat vol leven. Stil leven nog. Hoopjes stof met slapende mensen,
gezinnen. Een flakkerend vlammetje bij de oude muur tegenover me. De ijle
stem van een magere zingende man. Ik besluit nog even mijn ogen te
sluiten.
Het
geknetter van een scooter weet door te dringen tot mijn bewustzijn. De zon
schenkt voorzichtig haar warmte aan het leven in de straat en het ontwaken
is begonnen. Ik wrijf mijn gezicht. De straat is één groot levend
organisme geworden. Mensen lopen langs me heen, een moeder wast haar kind,
een aapje peuzelt aan een sinaasappelschil. Vette oliewalmen mengen zich
met kruidige geuren, de warme zwoele ochtendlucht en de stof van de
straat. Naast me komt er beweging in een bult op een platte kar. Een jonge
man duikt op, hij rekt zich uit, glipt van zijn kar af en trekt de deken
weg. De zonnestralen beschijnen de gedeukte blikken met rijst en bonen en
manden vol geurige kruiden. Zijn werkdag is begonnen. Hij hurkt naast zijn
kar, leegt zijn blaas en steekt een bidi op. De scherpe geur van tabak,
bladeren en ochtendurine zweemt mijn neus in. Tegenover me buigt de magere
man, slechts gekleed in een lendendoek, zich mompelend over een bergje
lappen langs de oude muur.
Gedeukte
auto's, oude brommers, fietsen, riksja's, bonkige koeien en wandelaars
krioelen ogenschijnlijk ordeloos door elkaar heen. De deelnemers lijken
zich bewust van richting en ruimte, voor de toeschouwer is het één grote
toeterende en schreeuwende chaos.
'Chai
Chai', klinkt een monotone zachte stem. 'Chai chai', de dochter van de
theeverkoper dwaalt tussen de mensen door met haar zware ketel en mand vol
kopjes. Ik beweeg me en voel meteen hoe de straat vannacht zijn aanslag
heeft gedaan op mijn verwende lijf. Zwijgend schenkt het meisje de thee
met melk in een bakje aardewerk en reikt me deze aan. Prachtig groene ogen
met goedkleurige spikkeltjes nemen me nieuwsgierig op. Een verlegen
glimlachje. Hoe jong zal ze zijn? Zes, zeven misschien? Dankbaar neem ik
haar warme gebaar in ontvangst en geef haar enkele roepies. Nog even
rusten haar ogen op mijn blanke gezicht, aarzelend, alsof ze me iets wil
vertellen. Dan loopt ze verder, 'Chai chai', 'chai chai'. Langs de oude
muur, waar de magere oude man nu een lotushouding heeft aangenomen, de zon
schittert in zijn witte baard terwijl hij zwijgend zijn handen samenvouwt.
Ik voel zijn ogen priemen.
Kinderen
in lompen rennen schreeuwend achter elkaar aan en bedelaars bewegen zich
richting het perron. Vanuit mijn ooghoeken zie ik hoe een jonge vrouw haar
hoofddoek schikt met tien door lepra aangevreten stompjes waar ooit haar
vingers zaten. Haar neus verzonken in haar platte gezicht. Ik ben blij met
de warme thee en de zonnegloed die mij verwarmen. Het duurt nu niet lang
meer voordat de trein komt en ik mijn ruwe verblijfplaats kan inruilen
voor een luie, zachte bank. Voorzichtig probeer ik mijn ledematen te
bewegen. Ineens zie ik hoe een prachtig beschilderde olifant de hoek om
komt wandelen. Gekleurde sterren en zonnen sieren zijn kop terwijl hij
goedmoedig door de straat sloft. Op zijn rug een grote stapel takken en
zijn berijder die zich versuft laat leiden door de kolos. Het drukke
verkeer raast onverminderd voort, met een lichte boog om de olifant heen
die onverstoorbaar blijft doorsjokken. Ieder hoopje stof omzichtig
ontwijkend, alsof hij weet dat er een vrouw, een man een kind onder kan
liggen. Of een stervende oude vrouw met een gezicht vol rimpels,
diepgegroefd, als de sporen van de straat.
Langzaam
sta ik op, klop het stof van mijn kleren, neem mijn rugzak op en slenter
langs de oude muur. De magere man wenkt me, alsof hij iets met me wil
delen. Zijn indringende ogen kijken me aan en hij wijst op het hoopje mens
naast hem. Ik grijp naar mijn portemonnee maar hij schudt nee. Hij neemt
niet, hij geeft. Aan mij. Zingend, prevelend, biddend, strelend en demonen
wegjagend zal hij de komende uren naast deze oude zieke vrouw zitten. Ze
zal hem dankbaar zijn en met zijn hulp rustig kunnen sterven. Tussen de
straatstenen, tussen de krotten, de dozen, het plastic afval, de
ontlasting van mensen en dieren, de schreeuwende mensen, het knetterende
verkeer. Ze zal vredig haar ogen sluiten en later zullen kleine paarse
bloemetjes tussen de stenen opbloeien. Hij tekent met zijn vingers over
haar gezicht. Een spoor van leven tussen de prachtige doorleefde rimpels.
Een spoor van haar leven. Krioelend als de straat. Zij is de straat. Zoals
ze nu ligt op de rand van steen en stof, op de rand van leven en dood, als
onkruid tussen de spleten van de straat. Ze zullen haar wegbrengen en de
straat leeft door.
In
de verte klinkt een mechanische brul. Mijn trein kondigt zijn komst aan.
Annick
Huijbrechts
Uit
de bundel:
Verhalen van de Straat, 2009
©
Happy Turtle
>>
Meer info over deze bundel en hoe deze te bestellen
=>
Meer Columns en Verhalen

Meer info? Wie, wat waar...