Espacchio,
God van de Leegte
Hoe leeg
kan een plek op aarde zijn? Zand tot aan de horizon, de eindeloze
broeierige horizon. Zand waar de hitte vanaf brandt in transparant
gloeiende vlammen. Grauw zand, vlak zand. Geen boom te zien, geen
rotsblokken, geen zuchtje wind, niets. Grauw, blauw, zon. Grauw, blauw,
zon. Uren achtereen. De brandende stralen vernietigen cellen, doen
smelten, schroeien, verbranden. Onherstelbaar. En de leegte verdringt zich
in de geest van de eenzame ziel.
Ze
schuifelt voort door het zware zand. De doeken om haar gekromde lichaam
dragen een felgekleurd verleden met zich mee. Toen hadden ze vrolijk om
haar prachtige sierlijke lichaam gedanst. Nu zijn ze vaal, losse draden,
gaten, een groezelig geheel. En zij daaronder. Rimpels tussen gekreukte
lappen. Het verleden heeft haar ogen verlaten, ze zijn leeg. Zo leeg en
verlaten als de vlakte die zij nauwelijks waarnemen.
Ze
verwacht hem hier te vinden. Op de leegste plek op aarde. Espacchio, de
god van de leegte. De leegte, de allesvervullende leegte die bezit van
haar zal nemen. Die haar licht zal maken. Zo licht haar geest, zo licht
haar ziel dat ze als vanzelf de aarde zal verlaten. Omhoog. Recht naar de
zon, recht naar de hemel. Ze wacht op Espacchio. Die zal haar vervullen
met zijn leegte. Het duurt niet lang meer weet ze. Het is tijd.
‘Espacchio, waar blijf je’ prevelt ze onhoorbaar; haar blik zwerft
doelloos in de verte.
Het dier
snuift achter haar. Heel zachtjes, maar genoeg om bij haar binnen te
dringen. Bijna onmerkbaar schudt ze haar hoofd. Ze wil het niet horen, ze
wil niet weten van zijn bestaan. Hij verstoort haar leegte, dringt zich
onafwendbaar bij haar binnen in haar gedachten en in haar ziel. Hij heeft
haar gevolgd. Ze probeerde hem weg te sturen, uren geleden. Even dacht ze
daarin geslaagd te zijn, maar nu zoekt het dier haar toch weer op. Een
jonkie is het nog weet ze. Ze trekt haar hoofddoek strakker om haar
gezicht, kijkt naar de verlaten horizon en probeert de leegte te
hervinden. Haar voeten sjokken door het zand.
Een
schuchter gesnuif siddert door haar lichaam. Ze draait zich om en kijkt
naar het verdwaalde wezentje. Grote kwetsbare ogen in een vredig gezicht.
Ze wil alleen zijn; zand, zon en zij. Ze wil de god van de leegte. En dan
de leegte, de allesvervullende leegte tot niets. ‘Espacchio, vervul me
met je leegte’ prevelt ze nogmaals, wetende dat ze haar krachten
verliest. De enige die haar woorden hoort is het angstig snuivende
kameeltje. Ze kijkt naar zijn trillende beentjes in het zand.
Onwillekeurig strekt ze haar hand uit naar zijn vacht, haar ogen vinden de
zijne. Te jong voor de leegte nog. Te jong voor de woestijn. In zijn
eentje zal hij nooit overleven. Ze voelt zijn warmte. Zij weet de weg
terug... De zandvlakte is verlaten, maar de leegte heeft geen kans meer.
Niet in haar. Zwijgend kijkt ze in de ogen van het kameeltje, dan zucht ze
en keert om.
Na een
paar passen voelt ze hoe een wervelwind haar de lucht in tilt. Ze is
licht, lichter dan ze ooit geweest is. Het verdwaalde wezentje is verdwenen. Haar
doeken wapperen om haar heen terwijl ze lichter wordt en lichter. De zon
komt dichterbij. Een glimlach verschijnt op haar gezicht en langzaam voelt
ze zich verdwijnen in het niets.
(Geplaatst:
juni 2006. Voorgedragen
Open Avond Eso juli 2005.
©
Happy Turtle)
=>
naar Columns en Verhalen

Meer info? Wie, wat waar...