Skilift
Nee hè,
sta ik natuurlijk weer tussen zo’n groep jolige Hollanders van 50,
twintig graden onder nul, m’n kater heeft een ochtendhumeur, de rij is
lang en uit de boxen klinkt Schnie Schnaa Schnappie…. Naast me duikt een ik-heb-geen-hersens-maar- wel-een-muts op.
Nee, geen blondje, maar zo’n idioot met zo’n kleurig ding op z’n
kop, met allemaal van die kromme punten en aan het eind bungelende
bolletjes. Hij schudt speels met zijn hoofd en geeft me een ondeugende
knipoog. Denkt ie. Ik ruik de liters wanhopige aftershave en voel hoe
m’n maaginhoud spontaan een u-turn maakt. Brrrrwagggh.
Net op tijd weet ik het braaksel in te houden, met een paar keer slikken
is het verdwenen. Waar kom je vandaan? vraagt hij schalks. Zijn
vrienden loeien op de achtergrond. Uit m’n stinkende opklapbed vol
chipskruimels en jamvlekken, midden in de huiskamer, zeg ik naar waarheid.
Zo, dat schrikt meestal wel af. Maar deze is echt wanhopig. Hij buigt zich
verder naar voren. Ik heb een tweepersoons kamer, helemaal voor mezelf, fluistert hij. Mét
jacuzzi. Ik voel zijn ranzige adem in mijn oor. Jij mag er wel in hoor,
als ik er ook in mag… Hmmm. Nógmaals knipoogt hij. Op
dat moment kan ik het niet meer aan. De Zwitserse kaasfondue van
gisteravond spuit naar buiten gevolgd door een hartgrondige vloek onder
me. Ja kleine geitenkleuter daarom heb je dus een helmpje op. Moet je maar
niet voordringen. Gelukkig zit de glimmende broek van m’n belager ook
vol dradige klodders Gruyère en Emmentaler.
Met een
stel beurze kuiten worstel ik me in het stoeltje van de skilift. Geklooi
ook altijd. Naast mij begint de niet meer zo jolige midlifecrisis te
vloeken en te tieren. Je skisok… hmmmhoog, kermt hij, je skisok hmmmhoog, of zoiets. Geïrriteerd
keek ik opzij. Wat zeik je nou? Nog net zie ik hoe de metalen punt van
mijn skistok in zijn paniekerige oog ronddraait. Oeps. Soepel wip ik ‘m
eruit. Gatverdamme! Smerig gezicht joh. Zo’n hol gat. Wel knap hoe hij
die glibberige bal opvangt met zijn grote donzen skiwanten. Vangbal,
he’s out! zeg ik en geef ‘m een vriendschappelijke por met m’n
elleboog. Dat had ik beter niet kunnen doen. Die enge starende knikker van
‘m glijdt zó uit z’n flikken. Tegelijkertijd draaien we ons om en
kijken 20 meter de diepte in. Daar ligt het kreng, midden op de zwarte
piste, beetje nutteloos om zich heen te staren. Onze nieuwbakken cycloop
wijst ‘m nog lang na. M’n oog! M’n oog! jankt hij. Ze zeggen dat je
met één oog geen diepte kunt zien. Nou, hij zag ‘m haarscherp liggen
hoor. Ondanks de sneeuwstorm. Dus dat valt allemaal best mee. Niet zeuren
zeg ik dan ook, je hebt er toch nog één? En anders prik je ‘m zo toch
weer op met je papierprikker. Klein stukkie boekele en je bent er. Ja, ik
hou niet zo van aanstellers. Ik kijk opzij. Zijn ene oog is wijd
opengesperd, de andere lijkt dicht, volgelopen met smurrie en kleffe zooi.
Zit je nou goddomme nóg te knipogen slijmbal! Snel pak ik één van zijn
mutspunten en duw het pluizige bolletje in zijn bloederige gat. Zo, da’s
beter. Het liefst had ik de rest van zijn muts in zijn mond gedouwd want
tjonge zeg wat kan die vent jammeren.
Om de
stemming er een beetje in te houden, ik ben de rotste niet, begin ik een
praatje. Wat een shitweer hè! Hebben ze me daarvoor zo vroeg gewekt. Jij
zit jezelf hier een partij zielig te vinden, maar wat ik vanochtend te
verduren had. Tjongejonge. Om acht uur stonden m’n zogeheten vrienden al
neurotisch aan mijn bed te krijsen. Dat het zonde was om uit te slapen en
de lift om negen uur open ging. Dus ik zeg nog: ik neem de trap wel, maar
nee hoor ik moest en zou m’n bed uit. Waarna natuurlijk alle douches
bezet zijn. Ben ik snel weer teruggekropen. Beroerd geslapen natuurlijk.
En iedereen schelden dat ik daar zo midden in de huiskamer bleef liggen.
Ja, eerst halen ze me over om toch vooral mee te gaan ‘zooo gezellig’
en vervolgens blijkt dat ze met z’n achten een vierpersoons appartement
hebben gehuurd. Stelletje Hollanders. En dan zeggen ze ook nog: ‘s
nachts een vent, overdag een vent. Maar zie je, ik ben meer het
huishoudelijke type: ‘s nachts een spons, overdag een dweil. Bevalt me
prima zo. Brrrr…. Wat is het koud zeg, was ik maar blijven liggen.
Tot
overmaat van ramp blijft de lift ineens stilhangen. Geen beweging meer in.
Kap nou, ik zit hier te bevriezen, mopper ik. Ik voel m’n tenen al niet
meer. Naast me begint de sneue skiheld te piepen: Ga omhoog! Ga nou
omhoog! Ik kijk opzij: Dat zei je vannacht zeker ook. Stop d’r een
Viagrapil in haha. Zelfs de skilift krijgt ‘m niet omhoog bij deze kou.
Oh, vind je niet grappig? Sacherijn! Heb ik weer. Zwaarste sneeuwstorm van
de eeuw en ík hang er natuurlijk weer middenin. Negenennegentig procent
van de Nederlanders komt terug van wintersport met zo’n donkerbruin
verbrande kop en ík kom natuurlijk weer terug als zwart-witte krantenkop.
Nederlander doodgevroren in impotente skilift. Zie je het voor je? Met je
eksteroog? Ik kijk opzij, maar koning eenoog reageert niet meer. Die
mafkees ligt gewoon te pitten, met één gesloten oog en een druipende
pluizebol.
Als
de lift eindelijk weer in beweging komt en m’n buurman nog steeds niet,
check ik z’n hartslag. En z’n zakken. Heee.. misschien heb ik toch nog
geluk vandaag. Als het even meezit heb ik vanavond een tweepersoonskamer helemaal voor
mezelf. Mét jacuzzi.
(1
juni 2006 ©
Happy Turtle)
In
gewijzigdee versie voorgedragen tijdens de Maandelijkse Cycus in het
Paardcafé - 27 september 2009
terug
naar Columns en Verhalen

Meer info? Wie, wat waar...